Praktische informatie lezingen pointillisme
Door: Maya Mutlu (26-11 over luminisme) en Michiel Kersten (4-12 over pointillisme)
Wanneer: 26 november en 4 december
Waar: Theater De Luifel, Herenweg 96, 2101 MP Heemstede
Kosten: € 40,-
Aanmelden en veilig betalen via iDeal/Wero: klik op onderstaande knop

Op zoek naar heldere kleuren
Kleurtheoriën
In 1879 publiceerde Ogden Rood Modern Chromatics, with Applications to Art and Industry, een nieuwe kleurenleer. Hierin staan allerlei adviezen voor kunstenaars over complementaire kleuren en de manier waarop kleuren op het palet moeten worden aangebracht. Belangrijker echter is Roods constatering dat wanneer de hersenen twee kleuren optisch tot één kleur combineren, dit resulteert in een intensere kleur dan wanneer dezelfde tint door het mengen van verf op het schildersdoek wordt aangebracht.
Het boek van Rood verscheen al in 1881 in een Franse vertaling. Waarschijnlijk waren de impressionisten kort daarna op de hoogte van de theorieën van Ogden Rood. In ieder geval begonnen kunstenaars als Seurat, Signac en Pissarro omstreeks 1885 te experimenteren met het aanbrengen van ongemengde, heldere kleuren in uiterst kleine stippen en streepjes, vaak bestaande uit combinaties van complementaire kleuren, bijvoorbeeld blauw-oranje, geel-paars of rood-groen.
Al enkele decennia eerder had Michel-Eugène Chevreul in Loi du contraste simultané des couleurs (1839) beschreven dat de waarneming van een kleur intenser kan worden door het gebruik van complementaire kleurcontrasten. De vele duizenden kleurstipjes zouden, zo was het idee, door het oog van de toeschouwer optisch worden gemengd tot een subtiel genuanceerd scala aan kleuren.

Pointillisme – het begin
Omstreeks 1885 begon Georges Seurat (1859-1891), en in zijn voetsporen Paul Signac (1863-1935), zijn composities op te bouwen uit puntjes en heel kleine verfstreken in heldere, ongemengde kleuren, waaraan hooguit wat wit werd toegevoegd om verschillen in tint te creëren. Met deze systematische, bedachtzame en ongelooflijk arbeidsintensieve manier van schilderen namen deze schilders afscheid van de vluchtige, beweeglijke schildertoets van de impressionisten.
Een van de eerste doeken in deze nieuwe schilderstijl is het inmiddels wereldberoemde schilderij Un dimanche après-midi à l’Île de la Grande Jatte (1884-1886). Het doek werd geweigerd door de officiële Salon. Wel kon Seurat het in mei 1886 tonen op de Achtste Tentoonstelling van de Impressionisten. De criticus Félix Fénéon benadrukte het verschil tussen de losse toets van de impressionisten en het nieuwe pointillisme door hiervoor de term neo-impressionisme te introduceren. Ook zou hij de divisionistische manier van schilderen in tijdschriften als La Revue Blanche te vuur en te zwaard verdedigen.
Een ontmoeting tussen Seurat en Signac in 1884 leidde ertoe dat laatstgenoemde op dezelfde wijze ging werken. Waar Seurat aanvankelijk grote doeken schilderde waarop mensen een hoofdrol spelen, concentreerde Signac zich van meet af aan op landschappen. Dat was een logische keuze, omdat de statische uitstraling van schilderijen in pointillistische techniek zich vooral goed leent voor landschappen zonder menselijke activiteit, waarin de sfeer en de stemming van licht en kleur bepalend zijn.

Stippelen wordt een rage
Al heel snel werd de pointillistische techniek door talloze kunstenaars overgenomen. Signac beklaagde zich bij Seurat over het gebrek aan talent bij velen van deze kunstenaars. Tot de meest getalenteerden behoorde in de eerste plaats de impressionist van het eerste uur: Camille Pissarro (1830-1903). Hij was degene die ervoor had gezorgd dat Seurat, zeer tegen de zin van Claude Monet in, werd uitgenodigd voor de Zesde Tentoonstelling van de Impressionisten.
De uit Noord-Frankrijk afkomstige Henri-Edmond Cross (eigenlijk heette hij Delacroix) was een goede bekende van Seurat. In 1884 had Seurat samen met hem de Salon des Indépendants opgericht. Al snel daarna ging ook Cross [afbeelding hierboven] over op een neo-impressionistische aanpak. In plaats van stippen gebruikte hij vooral kleine penseelstreken.
De belangrijkste andere kunstenaars die op een neo-impressionistische manier gingen werken, waren Lucien Pissarro (1863-1944), de zoon van Camille, Maximilien Luce (1858-1941) [afbeeldingen hieronder] en Henri Le Sidaner (1862-1939).
Vrijwel alle kunstenaars, en zelfs Paul Signac, de neo-impressionist van het eerste uur, verlieten de bijna wetenschappelijke opbouw van Seurats composities, met het systematisch plaatsen van kleurvlakken en complementaire kleuren, om de techniek vrijer en losser toe te passen. De opbouw uit stippen en streepjes bleef hen echter tot ver in de twintigste eeuw bezighouden: Signac en Cross bleven deze techniek zelfs tot aan hun dood toepassen.

Laatbloeiers en nabranders
In 1899 publiceerde Paul Signac in een reeks afleveringen in het tijdschrift La Revue Blanche zijn visie op het pointillisme en de theoretische principes waarop deze schildertechniek was gefundeerd. De artikelen, die later werden gebundeld tot een boek, inspireerden een jongere generatie kunstenaars om de techniek toe te passen.
Zo verbleef Henri Matisse in de zomer van 1904 in Saint-Tropez, in de nabijheid van Paul Signac, die daar al sinds 1897 de villa La Hune bewoonde. Geïnspireerd door Signac en zijn theorieën schilderde hij in een zeer vrije, grove pointillistische techniek het schilderij Luxe, Calme et Volupté, dat momenteel een van de hoogtepunten vormt van de tentoonstelling Chez Matisse in H’ART Museum Amsterdam.
Tussen 1905 en 1907 experimenteerden Robert Delaunay (1885-1941) en Jean Metzinger (1883-1956) met een mozaïekachtige variant van het neo-impressionisme, bestaande uit stevige kleurblokken [afbeelding hieronder].

Theo van Rysselberghe en Brussel
De Belgische kunstenaar Theo van Rysselberghe (1862-1926) kwam met de regelmaat van de klok in Parijs en hield zijn collega’s in Brussel, en vooral de leden van de kunstenaarsvereniging Les XX (Les Vingt), op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen in de kunst. In 1886 maakte hij kennis met het pointillisme tijdens de Achtste Tentoonstelling van de Impressionisten, waar Seurats schilderij Un dimanche après-midi à l’île de la Grande Jatte te zien was. Dit doek maakte diepe indruk op Van Rysselberghe. Tot ver in de twintigste eeuw zou hij de pointillistische techniek met veel succes toepassen [afbeelding hieronder].
Hij zorgde er bovendien voor dat Un dimanche in 1887 op de tentoonstelling van Les XX in Brussel te zien was. De kennismaking met Seurat leidde ertoe dat een aantal Belgische kunstenaars enthousiast de techniek ging toepassen, onder wie Georges Lemmen, Henry van de Velde, Alfred William (‘Willy’) Finch en Anna Boch

Jan Toorop en Nederland
In 1885 werd de Nederlander Jan Toorop gekozen tot lid van Les Vingts. De kennismaking met het werk van Seurat en Signac in Brussel zorgde ervoor dat ook hij het stilistische roer volledig omgooide en in de jaren 1886-1887 op een pointillistische manier ging werken. Na een decennium van symbolistische schilderijen pakte hij deze werkwijze vanaf 1897 opnieuw op [zie afbeelding hieronder].
Door Toorop raakten veel kunstenaars in Nederland in de ban van deze manier van schilderen, waarbij de verf in stevige toetsen werd opgebracht en waarmee men vooral probeerde het licht te vangen. Voor het werk van deze Nederlandse kunstenaars gebruikt men dan ook de term luminisme. De bekendste luministen/pointillisten in Nederland zijn J.J. Aarts, Johan Thorn Prikker, Leo Gestel, Jan Sluijters, Piet Mondriaan en H.P. Bremmer.

Twee lezingen
In twee lezingen nemen Maya Mutlu en Michiel Kersten u mee naar de wereld van het divisionisme, pointillisme en luminisme.
Maya stelt in haar lezing Brussel en Nederland centraal, van Van Rysselberghe tot Lemmen en van Van Toorop tot Mondriaan [afbeelding hieronder].
Michiel Kersten vertelt over de kleurentheorie die ten grondslag ligt aan het pointillisme en concentreert zich op de belangrijkste Franse pointillisten, onder wie natuurlijk de pioniers van deze stijl: Seurat en Signac.

Met eigen ogen kijken naar pointillisme
Als u komende maanden werk van de pointillisten wilt zien, dan kunt u naar de overzichtstentoonstelling van Paul Signac en tijdgenoten in de Kunsthal Rotterdam. Deze tentoonstelling is samengesteld uit de schitterende verzameling neo en postimpressionisme van Museum Barberini in Potsdam. De tentoonstelling is te zien tot en met 28 februari.
Een aantal hoogtepunten van Seurats werk en andere pointillisten maken deel uit van de collectie van Museum Kröller Müller in Otterlo. Ook in het Singer hangt in de vaste opstelling werk van de Nederlandse luministen. In het verleden heeft het museum vele goede tentoonstelling georganiseerd met werk van bijvoorbeeld Henri le Sidaner en Theo van Rysselbergh.
